Decreet tot wijziging van de regelgeving betreffende het toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het hoger onderwijs

VLAAMSE OVERHEID

1 MAART 2019. – Decreet tot wijziging van de regelgeving betreffende het toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het hoger onderwijs (1)

Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt : Decreet tot wijziging van de regelgeving betreffende het toezicht op en bepaalde organisatorische aspecten van het hoger onderwijs

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschapsaangelegenheid.HOOFDSTUK1. – Wijziging van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen

Art. 2.In artikel 43 van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instellingen, gewijzigd bij het decreet van 12 juni 1991, wordt paragraaf 2 opgeheven.HOOFDSTUK2. – Wijzigingen van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen

Art. 3.In artikel 9, § 3, van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :1° het tweede en het derde lid worden vervangen door wat volgt : “De regeringscommissaris belast met het toezicht op de Universiteit Antwerpen heeft van ambtswege zitting in deze organen.De regeringscommissaris oefent het toezicht uit, vermeld in deel 4, titel 4, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013.”;2° het vierde lid wordt opgeheven.HOOFDSTUK3. – Wijzigingen van het decreet van 8 juni 20070 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap

Art. 4.In artikel 5, 16° /1, van het decreet van 8 juni 20070 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap, ingevoegd bij het decreet van 9 juli 2010 en gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt in punt e) de zinsnede “vermeld in artikel 4, § 3, derde lid, van het decreet van 30 april 2009 betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs” vervangen door de woorden “verpleegkunde van het hoger beroepsonderwijs”.

Art. 5.Aan artikel 21, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 mei 2018, worden een tweede tot en met een vijfde lid toegevoegd, die luiden als volgt : “Als een student een educatieve graduaatsopleiding heeft voltooid of in het betrokken academiejaar ingeschreven is in een educatieve graduaatsopleiding, dan heeft de student recht op een krediet voor een derde graduaatsopleiding.

Als een student een educatieve bacheloropleiding of een bacheloropleiding uit het studiegebied Onderwijs heeft voltooid of in het betrokken academiejaar ingeschreven is in een educatieve bacheloropleiding, dan heeft de student recht op een krediet voor een derde bacheloropleiding.

Als de student een educatieve masteropleiding heeft voltooid of in het betrokken academiejaar ingeschreven is in een educatieve masteropleiding, dan heeft de student recht op een krediet voor een tweede masteropleiding.

De kredieten, vermeld in het tweede tot en met het vierde lid, kunnen niet worden gecumuleerd.”.

Art. 6.Artikel 23, § 3, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 juli 20081 en gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2011, wordt vervangen door wat volgt : ” § 3. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, kan een student maximum een studietoelage ontvangen voor het aantal opgenomen studiepunten dat gelijk is aan het verschil tussen het aantal studiepunten dat de student voor zijn studietoelagegerechtigdheid maximaal mag verwerven om een diploma te behalen, zoals bedoeld in het tweede tot en met het twaalfde lid, en de som van het aantal verworven studiepunten dat de student op het einde van het laatst gevolgde academiejaar in totaal behaald heeft voor het volgen van de opleiding of opleidingen in kwestie.

Een student mag voor het behalen van een eerste graduaatsdiploma slechts zo veel studiepunten voor graduaatsopleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de graduaatsopleiding waarvoor de student zich in het betrokken academiejaar heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met zestig.

De student die reeds een graduaatsdiploma behaald heeft, mag voor het behalen van een tweede graduaatsdiploma zo veel studiepunten voor graduaatsopleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :1° de totale studieomvang die de eerste graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;2° de totale studieomvang die de tweede graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;3° zestig extra studiepunten.De student die reeds twee graduaatsdiploma’s behaald heeft en voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, § 1, tweede lid, mag voor het behalen van een derde graduaatsdiploma zo veel studiepunten voor graduaatsopleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :1° de totale studieomvang die de eerste graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;2° de totale studieomvang die de tweede graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;3° de totale studieomvang die de derde graduaatsopleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;4° zestig extra studiepunten.Als de student zich in het betrokken academiejaar voor meerdere graduaatsopleidingen heeft ingeschreven, wordt de graduaatsopleiding met de grootste studieomvang in aanmerking genomen voor het bepalen van de verwervingsgrens.

Een student mag voor het behalen van een eerste bachelordiploma slechts zo veel studiepunten voor bacheloropleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de bacheloropleiding waarvoor de student zich in het betrokken academiejaar heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met zestig.

De student die reeds een bachelordiploma behaald heeft, mag voor het behalen van een tweede bachelordiploma zo veel studiepunten voor bacheloropleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :1° de totale studieomvang die de eerste bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;2° de totale studieomvang die de tweede bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;3° zestig extra studiepunten.De student die reeds twee bachelordiploma’s behaald heeft en voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, § 1, derde lid, mag voor het behalen van een derde bachelordiploma zo veel studiepunten voor bacheloropleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :1° de totale studieomvang die de eerste bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;2° de totale studieomvang die de tweede bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;3° de totale studieomvang die de derde bacheloropleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;4° zestig extra studiepunten.Als de student zich in het betrokken academiejaar voor meerdere bacheloropleidingen heeft ingeschreven, wordt de bacheloropleiding met de grootste studieomvang in aanmerking genomen voor het bepalen van de verwervingsgrens.

Een student mag voor het behalen van een masterdiploma slechts zo veel studiepunten voor masteropleidingen verwerven dan het aantal studiepunten dat de totale studieomvang van de masteropleiding waarvoor de student zich in het betrokken academiejaar heeft ingeschreven, telt, vermeerderd met dertig.

De student die reeds een masterdiploma behaald heeft en voldoet aan de voorwaarden van artikel 21, § 1, vierde lid, mag voor het behalen van een tweede masterdiploma zo veel studiepunten voor masteropleidingen verwerven als de som van de hierna vermelde studiepunten :1° de totale studieomvang die de eerste masteropleiding, waarvoor de kandidaat een diploma behaalde, standaard telt;2° de totale studieomvang die de tweede masteropleiding, waarvoor de kandidaat ingeschreven is, standaard telt;3° dertig extra studiepunten.Indien de student zich in het betrokken academiejaar voor meerdere masteropleidingen heeft ingeschreven, wordt de masteropleiding met de grootste studieomvang in aanmerking genomen voor het bepalen van de verwervingsgrens.”.

Art. 7.Artikel 23, § 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 16 juni 2017, wordt opgeheven.

Art. 8.In artikel 70, § 1, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 4 juli 20081, wordt punt 3° opgeheven.HOOFDSTUK4. – Wijzigingen van het decreet van 20 februari 20092 betreffende de Hogere Zeevaartschool

Art. 9.In het decreet van 20 februari 20092 betreffende de Hogere Zeevaartschool, het laatst gewijzigd bij het decreet van 22 december 2017, wordt een artikel 3/1 ingevoegd, dat luidt als volgt : ”

Art. 3/1.§ 1. Als de Hogere Zeevaartschool voor de eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar t-2/t-1, dan wordt vanaf het begrotingsjaar t een variabel onderwijsdeel voor de graduaatsopleidingen VOWhbo toegevoegd aan de werkingsuitkering, vermeld in artikel 2, § 2, eerste lid. § 2. In het begrotingsjaar t is het bedrag van VOWhbo, vermeld in paragraaf 1, gelijk aan het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen aangeboden door de Hogere Zeevaartschool in het academiejaar t-2/t-1, vermenigvuldigd met een gemiddeld bedrag per opgenomen studiepunt voor een graduaatsopleiding.

De Vlaamse Regering legt het gemiddelde bedrag, vermeld in het eerste lid, vast. De Vlaamse Regering baseert zich daarvoor op : 1° het totale aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen waarvoor studenten onder diplomacontract zich hebben ingeschreven in de hogescholen, vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, met uitzondering van de Hogere Zeevaartschool, in het academiejaar t-2/t-1; 2° de som van de werkingsmiddelen die de hogescholen, vermeld in artikel II.3 van de Codex Hoger Onderwijs, ontvangen voor de graduaatsopleidingen in het begrotingsjaar t.

Voor de begrotingsjaren t+1 tot en met t+3 wordt het bedrag van VOWhbo, vermeld in paragraaf 1, cumulatief vermenigvuldigd met het volgende percentage :1° voor het begrotingsjaar t+1 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar t-1/t en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar t-2/t-1 in de Hogere Zeevaartschool;2° voor het begrotingsjaar t+2 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar t/t+1 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar t-1/t in de Hogere Zeevaartschool;3° voor het begrotingsjaar t+3 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar t+1/t+2 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar t/t+1 in de Hogere Zeevaartschool.§ 3. Vanaf het begrotingsjaar t+4 evolueert het bedrag voor het variabel onderwijsdeel VOWhbo, dat is berekend op de wijze, vermeld in paragraaf 2, derde lid, 3°, conform artikel 3, § 1, eerste lid.

Voor de vaststelling van het aantal opgenomen studiepunten in het variabele onderwijsdeel VOWhbo voor het begrotingsjaar x, waarbij x gelijk is aan of groter dan t+4, wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren x-5/x-4 tot en met x-3/x-2 waarvoor studenten onder diplomacontract zich ingeschreven hebben voor een graduaatsopleiding.

De eerste referentiepunten voor het variabele onderwijsdeel VOWhbo zijn gelijk aan het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in de academiejaren t-2/t-1 tot en met t/t+1 in de graduaatsopleidingen, vastgesteld conform het tweede lid.

Bij elke daling of stijging van het aantal opgenomen studiepunten met 2 % of meer in het variabele onderwijsdeel VOWhbo worden er nieuwe referentiepunten vastgelegd. De nieuwe referentiepunten zijn gelijk aan de vorige referentiepunten plus of min 2 %.”.HOOFDSTUK5. – Wijziging van het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs van 30 april 2009

Art. 10.Aan artikel 20, § 3, van het decreet betreffende het secundair na secundair onderwijs en het hoger beroepsonderwijs van 30 april 2009, vervangen bij het decreet van 23 december 2016, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : “In afwijking hiervan kunnen de samenwerkingsverbanden Vives Zuid en Thomas More Kempen beslissen om een bestaande hbo5-opleiding Elektromechanica of een hbo5-opleiding Informatica per optie om te vormen naar een onderwijskwalificatie waarmee die hbo5-opleiding verwant is verklaard, op voorwaarde dat de desbetreffende optie in het schooljaar 2017-2018 binnen het samenwerkingsverband werd georganiseerd.”.HOOFDSTUK6. – Wijzigingen van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013

Art. 11.In artikel I.3 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 19 december 2014, 16 juni 2017, 8 december 2017, 4 mei 2018, 18 mei 2018 en 15 juni 2018, wordt punt 35° vervangen door wat volgt : “35° integratiekader : het geheel van de personeelsleden die door een hogeschool met behoud van hun rechtspositieregeling als personeel van de hogeschool, aan een universiteit zijn overgedragen, voor zover ze niet opgenomen zijn in de rechtspositieregeling van de universiteiten;”.

Art. 12.Aan artikel II.2 van dezelfde codex wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : “Onverminderd de bepalingen die van toepassing zijn op de instellingen van openbaar nut voor postinitieel onderwijs, worden de Vlerick Business School, de Antwerp Management School en het Instituut voor Tropische Geneeskunde beschouwd als universiteit voor de opdrachten, vermeld in artikel II.19, II.20 en II 21.”.

Art. 13.In artikel II.4, eerste lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede “vernoemd in artikel II.2” vervangen door de zinsnede “vernoemd in artikel II.2, eerste lid,”.

Art. 14.Aan artikel II.6, § 4, van dezelfde codex wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : “In afwijking van het eerste lid, 4°, kan een instelling die is ingericht door een Belgische overheid en die door die overheid erkend is om opleidingen te verstrekken, een overeenkomst afsluiten met een andere instelling die is ingericht door een Belgische overheid en die door die overheid is erkend om opleidingen te verstrekken. Die overeenkomst betreft de wijze waarop de ingeschreven studenten hun opleiding kunnen voltooien.”.

Art. 15.In artikel II.24 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 23 december 2016, 8 december 2017, 4 mei 2018 en 18 mei 2018, wordt in punt 3° het woord “advies” vervangen door het woord “oordeel”.

Art. 16.In artikel II.31, 1°, van dezelfde codex wordt punt m) vervangen door wat volgt : “m) de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies in Brussel;”.

Art. 17.In artikel II.66/1, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 8 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 4° wordt vervangen door wat volgt : “4° voor de bachelor- en masteropleidingen van het academisch onderwijs, met uitzondering van de bachelor- en de masteropleidingen in de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst en Muziek en podiumkunsten en van de masteropleidingen in het studiegebied Geneeskunde : ten minste 30 studiepunten en ten hoogste 120 studiepunten;”; 2° er wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt : “6° voor de masteropleidingen in het studiegebied Geneeskunde : ten minste 30 studiepunten.”.

Art. 18.In artikel II.106 van dezelfde codex worden de woorden “Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid” vervangen door de woorden “Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies”.

Art. 19.In artikel II.114 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 4 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :1° aan paragraaf 1 worden een zesde en een zevende lid toegevoegd, die luiden als volgt : “In afwijking van het vierde lid kan een student die rechtstreeks instroomt uit een bacheloropleiding uit het studiegebied Architectuur, Audiovisuele en beeldende kunsten, Bewegings- en revalidatiewetenschappen, Biomedische wetenschappen, Diergeneeskunde, Farmaceutische wetenschappen, Geneeskunde, Industriële wetenschappen en technologie, Muziek en podiumkunsten, Rechten, notariaat en criminologische wetenschappen, Sociale gezondheidswetenschappen, Tandheelkunde, Toegepaste biologische wetenschappen, of Toegepaste wetenschappen, het pakket van 15 studiepunten component leraarschap verwerven op volgende manieren : 1° in het kader van een voorbereidingsprogramma dat hij vooraf of samen met de educatieve masteropleiding volgt;2° als een pakket van keuzevakken in de educatieve masteropleiding.De bijzondere toelatingsvoorwaarden, vermeld in artikel II.186, zijn niet van toepassing voor het voorbereidingsprogramma, vermeld in het vierde lid.”;2° er wordt een paragraaf 6 toegevoegd, die luidt als volgt : ” § 6.In afwijking van paragraaf 4 kan een universiteit een educatieve masteropleiding organiseren in de vorm van een consecutief traject, als het gaat om een educatieve masteropleiding binnen het studiegebied Biomedische wetenschappen, Geneeskunde, of Sociale gezondheidswetenschappen, of als de educatieve masteropleiding volgt op een masteropleiding die een bacheloropleiding in het hoger professioneel onderwijs als algemene toelatingsvoorwaarde heeft, met toepassing van artikel II.182, § 2/1.”.

Art. 20.In artikel II.122, § 2, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 18 mei 2018, wordt tussen het tweede en het derde lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt : “Voor wat betreft de transnationale Universiteit Limburg zijn de bepalingen, vermeld in hoofdstuk 9/1, enkel van toepassing op de universitaire campus Diepenbeek-Hasselt.”.

Art. 21.In artikel II.124/2, § 2, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018, wordt tussen het eerste en het tweede lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt : “Voor de toepassing van het eerste lid worden de transnationale Universiteit Limburg en de Universiteit Hasselt als één instelling beschouwd.”.

Art. 22.Artikel II.124/3 van de Codex Hoger Onderwijs, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018, wordt vervangen door wat volgt : “Art. II.124/3. De Vlaamse Regering kan de accreditatieorganisatie belasten met volgende aanvullende opdrachten :1° studie en advies inzake kwaliteitszorg in het hoger onderwijs;2° het uitvoeren van accreditatieactiviteiten op vraag van buitenlandse instellingen voor hoger onderwijs in andere landen dan België en Nederland, voor zover deze activiteiten de hoofdopdracht van de accreditatieorganisatie ondersteunen of aanvullen en dit de optimale werking, dienstverlening en voorziene termijnen ten aanzien van opleidingen binnen het hoger onderwijs, verzorgd door in Nederland of in Vlaanderen gevestigde instellingen, op geen enkele manier in het gedrang brengt.”.

Art. 23.In artikel II.141 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :1° in punt 2°, a), wordt tussen de zinsnede “leidinggevende taken,” en de woorden “het vermogen” de zinsnede “ondernemend handelen,” ingevoegd;2° aan punt 2°, c), worden de woorden “al dan niet als ondernemer” toegevoegd;3° in punt 3°, a), wordt tussen de zinsnede “eenvoudige managementtaken,” en de woorden “het vermogen” de zinsnede “ondernemend handelen,” ingevoegd;4° aan punt 4°, d), worden de woorden “al dan niet als ondernemer” toegevoegd.

Art. 24.In artikel II.150/1, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt tussen het derde en het vierde lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt : “In afwijking hiervan kunnen de hogescholen Katholieke Hogeschool Vives Zuid en Thomas More Kempen beslissen om een van een centrum voor volwassenenonderwijs overgenomen hbo5-opleiding Elektromechanica of een overgenomen hbo5-opleiding Informatica per optie om te vormen naar een onderwijskwalificatie waarmee die hbo5-opleiding verwant is verklaard, op voorwaarde dat de desbetreffende optie in het schooljaar 2017-2018 binnen het samenwerkingsverband werd georganiseerd.”.

Art. 25.In artikel II.150/1, § 2, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt tussen het vierde en het vijfde lid een nieuw lid ingevoegd, dat luidt als volgt : “In afwijking hiervan kan de Hogeschool PXL een van een centrum voor volwassenenonderwijs overgenomen hbo5-opleiding Hout- en bouwconstructies omvormen naar twee onderwijskwalificaties waarmee die hbo5-opleiding verwant is verklaard.”.

Art. 26.In artikel II.152 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 8 december 2017en gewijzigd bij het decreet van 18 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :1° in het vierde lid, 1°, wordt de zinsnede “a) tot en met h)” vervangen door de zinsnede “a) tot en met e), g) en h)”;2° er wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : “De bepalingen van het tweede lid, 2°, en het tweede lid, 5°, zijn niet van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen.”.

Art. 27.In artikel II.153 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 8 december 2017, 4 mei 2018 en 18 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :1° aan paragraaf 1, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd : “De regels, vermeld in paragraaf 2, paragraaf 3, 6°, en paragraaf 3/1, zijn niet van toepassing op de andere ambtshalve geregistreerde instellingen.De andere ambtshalve geregistreerde instellingen dienen onmiddellijk een dossier in bij de Commissie Hoger Onderwijs voor 1 maart van het kalenderjaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de instelling de opleiding op zijn vroegst wil aanbieden.”;2° aan paragraaf 3, tweede lid, wordt de volgende zin toegevoegd : “Voor de andere ambtshalve geregistreerde instellingen wordt in het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs geen rekening gehouden met het criterium, vermeld in paragraaf 1, 6°.“.

Art. 28.In artikel II.170/2 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018, wordt in het tweede lid de zinsnede “academiejaar 2023-2024” vervangen door de zinsnede “academiejaar 2024-2025”.

Art. 29.Aan artikel II.186 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 20143, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt : “In afwijking van het eerste lid is een artistieke toelatingsproef optioneel als een professioneel gerichte bacheloropleiding over studiegebieden heen gerangschikt is en waarvan een van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst of Muziek en podiumkunsten is.”.

Art. 30.In artikel II.187, § 11, tweede lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 8 december 2017, worden tussen de woorden “De studenten” en de woorden “in de masteropleiding” de woorden “of gediplomeerden” ingevoegd.

Art. 31.Aan artikel II.200, § 3, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 20143, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt : “De instellingen bieden voor de graduaatsopleidingen ten minste één modeltraject aan. De studieomvang ervan per academiejaar kan, in functie van de doelgroep van de opleiding, kleiner zijn dan de omvang vermeld in het eerste lid.”.

Art. 32.In artikel II.263, § 2, van dezelfde codex wordt punt 1° vervangen door wat volgt : “1° binnen de Vlaamse Gemeenschap wordt een equivalente initiële bachelor- of masteropleiding aangeboden als vermeld in artikel II.262, § 2, tenzij er een positief oordeel is van de Commissie Hoger Onderwijs of een positieve beslissing van de Vlaamse Regering over de vrijstelling van de equivalentievoorwaarde, vermeld in artikel II.264;”.

Art. 33.In artikel II.264 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 25 april 20144, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt aan het eerste lid een zin toegevoegd, die luidt als volgt : “Het aanvraagdossier stelt de Commissie Hoger Onderwijs in staat de toetsing aan de criteria, vermeld in paragraaf 2, uit te voeren.”;2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : “Samen met het aanvraagdossier wordt aan de Commissie Hoger Onderwijs een advies bezorgd van de VLIR, voor de aanvragen van de universiteiten, of de VLHORA, voor de aanvragen van de hogescholen, over de gevraagde vrijstelling van de equivalentievoorwaarde.Als het advies van de VLIR of de VLHORA niet opgenomen is in het aanvraagdossier dat aan de Commissie Hoger Onderwijs wordt bezorgd, verklaart de Commissie Hoger Onderwijs de aanvraag voor de opleiding in kwestie onontvankelijk. De Commissie Hoger Onderwijs kan binnen een termijn van 15 dagen aan de VLIR of de VLHORA verduidelijkingen vragen over het door hen geleverde advies.”;3° paragraaf 2 en paragraaf 3 worden vervangen door wat volgt : ” § 2.De Commissie Hoger Onderwijs brengt een oordeel uit over de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde op basis van de volgende criteria, waaraan cumulatief voldaan moet worden :1° de anderstalige opleiding is internationaal georiënteerd, doordat : a) het beheersen van algemene en specifieke beroepsgerichte competenties, samen met de vakinhoudelijke competenties niet kan worden bereikt in een Nederlandstalige opleiding;b) de afgestudeerden in hoofdzaak op de internationale arbeidsmarkt terechtkomen;2° de opleiding heeft geen betrekking op het erfgoed van de Nederlandse taal of cultuur, of de afgestudeerden van de opleiding komen niet in hoge mate in aanraking met Nederlandstalige burgers;3° de aanwezige expertise en capaciteit in Vlaanderen is te beperkt om een dubbel aanbod te creëren.In het geval het een aanvraag als vermeld in artikel II.264, § 1, eerste lid, 2°, betreft, geldt naast de criteria, vermeld in het eerste lid, als bijkomend criterium dat het aantal studenten in de Nederlandstalige opleiding onvoldoende is om een dubbel aanbod te creëren.

De Commissie Hoger Onderwijs onderzoekt expliciet alle criteria, omschrijft per criterium haar bevindingen, antwoordt op alle argumenten die worden aangebracht in het aanvraagdossier en in het advies van de VLIR de VLHORA, en motiveert haar positieve of negatieve oordeel over het ingediende dossier. § 3. De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel uit : 1° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 1° ; 2° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde samen ingediend wordt met een aanvraag van een anderstalige opleiding voor een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding : samen met het oordeel, vermeld in artikel II.263, § 3, eerste lid, 2° ;3° als de aanvraag van vrijstelling van de equivalentievoorwaarde betrekking heeft op de afbouw of stopzetting van een bestaande equivalente opleiding : uiterlijk op 31 januari van het academiejaar dat voorafgaat aan het academiejaar waarin de equivalente opleiding wordt afgebouwd of stopgezet.De Commissie Hoger Onderwijs bezorgt haar oordeel aan het instellingsbestuur en aan de Vlaamse Regering.

Bij een negatief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs kan de instelling binnen een vervaltermijn van 15 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van de beslissing van de Commissie Hoger Onderwijs, beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering neemt een beslissing binnen een vervaltermijn van 30 dagen, die ingaat op de dag na de ontvangst van het beroepschrift.

Bij een positief oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs, tenzij de Vlaamse Regering binnen een vervaltermijn van 45 dagen, die ingaat op de dag waarop de Commissie Hoger Onderwijs haar oordeel aan de Vlaamse Regering bezorgt, alsnog negatief oordeelt, of bij een positieve beslissing van de Vlaamse Regering, wordt voor de anderstalige bachelor- of masteropleiding die in het aanvraagdossier is vermeld, van rechtswege een vrijstelling van equivalentie verleend : 1° in het geval het een bestaande initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de procedure, vermeld in artikel II.263; 2° in het geval het een nieuwe initiële bachelor- of masteropleiding betreft : na het positief doorlopen van de programmatieprocedure, vermeld in artikel II.153.

Als de Commissie Hoger Onderwijs geen oordeel velt uiterlijk op de data, vermeld in deze paragraaf, of als de Vlaamse Regering geen beslissing neemt naar aanleiding van een beroepschrift op de momenten, vermeld in deze paragraaf, wordt het oordeel of de beslissing geacht negatief te zijn.”.

Art. 34.Aan artikel II.288 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 20144, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt : ” § 4. De werkend voorzitter, vermeld in artikel II.287, § 1, eerste lid, 1°, neemt zijn ambt op nadat hij in handen van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, de volgende eed heeft afgelegd : “Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen.”.

De andere leden van de Raad, vermeld in artikel II.287, § 1, eerste lid, 1° en 2°, en de secretarissen, vermeld in artikel II.29, nemen hun ambt op nadat ze in handen van de werkend voorzitter van de Raad de volgende eed hebben afgelegd : “Ik zweer de verplichtingen van mijn ambt na te komen.”.”.

Art. 35.In artikel II.387/1, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 2018, wordt de zinsnede “periode 2020- 2024” vervangen door de zinsnede “periode 2020- 2025”.

Art. 36.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juni 20185, wordt een artikel II.395 ingevoegd, dat luidt als volgt : “Art. II.395. § 1. De accreditatieorganisatie adviseert over de toets nieuwe opleiding voor de omvorming van bestaande hbo5-opleidingen uiterlijk op 15 april voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november van het voorafgaande kalenderjaar zijn ingediend, en uiterlijk op 30 oktober voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei van hetzelfde kalenderjaar zijn ingediend.

De accreditatieorganisatie adviseert over de toets nieuwe opleiding voor de omvorming van bestaande hbo5-opleidingen uiterlijk op 15 juni 2019 voor de aanvragen die uiterlijk op 15 februari 2019 zijn ingediend. § 2. De Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen kan uit de lijst van bestaande hbo5-opleidingen op de data vermeld in de eerste paragraaf in totaal maximaal 4 aanvragen indienen voor een toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie voor een graduaatsopleiding zonder de verplichting om een bestaande hbo5-opleiding om te vormen, maar met de verplichting om een aanvraag macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs in te dienen.

In deze vier gevallen bevat het aanvraagdossier voor de macrodoelmatigheidstoets de volgende informatie en documenten : 1° de informatie, vermeld in artikel II.152, tweede lid, 1°, a) tot en met m); 2° een dossier dat de Commissie Hoger Onderwijs in staat stelt de toetsing aan de criteria, vermeld in artikel II.153, § 3, eerste lid, uit te voeren.

De Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen bezorgt voor elke van de in het eerste lid bedoelde aanvragen het aanvraagdossier voor de macrodoelmatigheidstoets tevens aan de VLHORA. De VLHORA stelt voor iedere aanvraag een advies als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 2°, op. Ze bezorgt het advies aan de Commissie Hoger Onderwijs uiterlijk :1° op 31 januari voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november bij de accreditatieorganisatie zijn ingediend;2° op 15 juli voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei bij de accreditatieorganisatie zijn ingediend;3° 30 dagen na de indiening van de aanvraag voor de aanvragen die uiterlijk op 15 februari 2019 bij de accreditatieorganisatie zijn ingediend.De Commissie Hoger Onderwijs brengt over de in het eerste lid bedoelde aanvragen een oordeel uit over de macrodoelmatigheid overeenkomstig artikel 153, § 3, eerste, tweede en vierde lid. Indien het advies van de VLHORA niet tijdig wordt verstrekt, dan brengt de Commissie Hoger Onderwijs een oordeel over de macrodoelmatigheid uit op basis van de criteria, vermeld in artikel II.153, § 3, eerste lid, 1° tot en met 5°.

De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de in het eerste lid bedoelde aanvragen uit uiterlijk :1° op 28 februari voor de aanvragen die uiterlijk op 30 november bij de accreditatieorganisatie zijn ingediend;2° op 1 september voor de aanvragen die uiterlijk op 31 mei bij de accreditatieorganisatie zijn ingediend;3° binnen de 60 dagen na de indiening van de aanvraag voor de aanvragen die uiterlijk op 15 februari 2019 zijn ingediend.Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van een in het eerste lid bedoelde aanvraag negatief is of niet tijdig wordt verstrekt, kan de beroepsprocedure, vermeld in artikel II.153, § 4 en § 5, gevolgd worden.

Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van een in het eerste lid bedoelde aanvraag of de beslissing van de Vlaamse Regering na het beroep, vermeld in het zesde lid, positief is, evenals het toetsingsbesluit van de accreditatieorganisatie, dan neemt de Vlaamse Regering het besluit houdende erkenning van deze nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positief toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie. § 3. De Hogeschool West-Vlaanderen kan uit de lijst van bestaande hbo5-opleidingen op de data, vermeld in de eerste paragraaf, in totaal maximaal één aanvraag indienen voor een toets nieuwe opleiding bij de accreditatieorganisatie voor een graduaatsopleiding zonder de verplichting om een bestaande hbo5-opleiding om te vormen, maar met de verplichting om een aanvraag macrodoelmatigheidstoets bij de Commissie Hoger Onderwijs in te dienen.

In dit geval bevat het aanvraagdossier voor de macrodoelmatigheidstoets de volgende informatie en documenten : 1° de informatie, vermeld in artikel II.152, tweede lid, 1°, a) tot en met m); 2° een dossier dat de Commissie Hoger Onderwijs in staat stelt de toetsing aan de criteria, vermeld in artikel II.153, § 3, eerste lid, uit te voeren.

De Hogeschool West-Vlaanderen bezorgt voor de in het eerste lid bedoelde aanvraag het aanvraagdossier voor de macrodoelmatigheidstoets tevens aan de VLHORA. De VLHORA stelt voor deze aanvraag een advies als vermeld in artikel II.152, tweede lid, 2°, op. Ze bezorgt het advies aan de Commissie Hoger Onderwijs uiterlijk :1° op 31 januari voor de aanvraag die uiterlijk op 30 november bij de accreditatieorganisatie is ingediend;2° op 15 juli voor de aanvraag die uiterlijk op 31 mei bij de accreditatieorganisatie is ingediend;3° 30 dagen na de indiening van de aanvraag voor de aanvraag die uiterlijk op 15 februari 2019 bij de accreditatieorganisatie is ingediend.De Commissie Hoger Onderwijs brengt over de in het eerste lid bedoelde aanvraag een oordeel uit over de macrodoelmatigheid overeenkomstig artikel 153, § 3, eerste, tweede en vierde lid. Indien het advies van de VLHORA niet tijdig wordt verstrekt, dan brengt de Commissie Hoger Onderwijs een oordeel over de macrodoelmatigheid uit op basis van de criteria, vermeld in artikel II.153, § 3, eerste lid, 1° tot en met 5°.

De Commissie Hoger Onderwijs brengt haar oordeel over de in het eerste lid bedoelde aanvragen uit uiterlijk :1° op 28 februari voor de aanvraag die uiterlijk op 30 november bij de accreditatieorganisatie is ingediend;2° op 1 september voor de aanvraag die uiterlijk op 31 mei bij de accreditatieorganisatie is ingediend;3° binnen de 60 dagen na de indiening van de aanvraag voor de aanvraag die uiterlijk op 15 februari 2019 is ingediend.Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van een in het eerste lid bedoelde aanvraag negatief is of niet tijdig wordt verstrekt, kan de beroepsprocedure, vermeld in artikel II.153, § 4 en § 5, gevolgd worden.

Als het oordeel van de Commissie Hoger Onderwijs over de macrodoelmatigheid van een in het eerste lid bedoelde aanvraag of de beslissing van de Vlaamse Regering na het beroep, vermeld in het zesde lid, positief is, evenals het toetsingsbesluit van de accreditatieorganisatie, dan neemt de Vlaamse Regering het besluit houdende erkenning van deze nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 dagen, die ingaat de dag na de dag van de ontvangst van het positieve toetsingsbesluit en het onderliggende beoordelingsrapport van de accreditatieorganisatie. § 4. De accreditatieorganisatie bezorgt uiterlijk één maand vóór het verstrijken van de termijn een ontwerp van toetsingsrapport aan de instelling, die de mogelijkheid krijgt om opmerkingen te formuleren.

Het instellingsbestuur kan het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding intrekken uiterlijk binnen een termijn van 20 dagen, die ingaat de dag na de ontvangst van het ontwerp. Het instellingsbestuur beschikt over een termijn van 60 dagen om het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding opnieuw in te dienen bij de accreditatieorganisatie. De termijn van 60 dagen gaat in op de dag na de intrekking van de initiële aanvraag.

De termijnen, die lopen vanaf de datum waarop de aanvraag uiterlijk ingediend moet zijn tot en met de datum waarop de accreditatieorganisatie uiterlijk haar advies uitbrengt, worden in geval van intrekking van het onderdeel van de aanvraag voor de toets nieuwe opleiding geschorst vanaf de intrekking van het onderdeel van de aanvraag tot en met de datum van de betekening van de herindiening ervan. § 5. De Vlaamse Regering neemt het besluit houdende erkenning van een nieuwe opleiding binnen een ordetermijn van 30 kalenderdagen, die ingaat de dag na deze van ontvangst van het toetsingsrapport van de accreditatieorganisatie. Het besluit treedt in werking met ingang van de bekendmaking ervan aan de instelling. § 6. Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, negatief is, kan het instellingsbestuur nog maximaal één academiejaar de om te vormen hbo5-opleiding aanbieden en hiervoor studenten inschrijven. Het programma van deze opleiding wordt ingericht conform de artikelen II.67 en II.69.

Een instelling kan na een negatief toetsingsbesluit voor een identieke opleiding nog een keer een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding indienen. Als het besluit over de toets nieuwe opleiding in het kader van een omvorming als vermeld in artikel II.150/1, § 2, opnieuw negatief is, bouwt de instelling de opleiding af of zet ze die stop.

Het instellingsbestuur garandeert de voorzieningen die nodig zijn om de ingeschreven studenten hun opleiding te kunnen laten voltooien.”.

Art. 37.In artikel II.399 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt het derde lid vervangen door wat volgt : “De opleidingen van het hoger beroepsonderwijs die tot en met schooljaar 2018-2019 behoorden tot de onderwijsbevoegdheid van de centra voor volwassenenonderwijs en die niet worden geactualiseerd of waarvoor geen toets nieuwe opleiding voor de omvorming ervan werd ingediend voor 1 september 2019, kunnen niet als graduaatsopleiding worden aangeboden door de hogescholen. Opleidingen van het hoger beroepsonderwijs waarvoor een aanvraag voor een toets nieuwe opleiding voor de omvorming werd ingediend voor 1 september 2019 maar die nog niet zijn erkend door de Vlaamse Regering op het ogenblik dat de Vlaamse Regering de lijst, vermeld in artikel II.170, § 2, vierde lid, vastlegt, worden opgenomen in de lijst, vermeld in artikel II.170, § 2, voor het academiejaar volgend op de erkenning door de Vlaamse Regering na de ontvangst van een positief toetsingsbesluit, vermeld in artikel II.153/6.”.

Art. 38.In artikel III.5 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014, 18 december 2015, 23 december 2016 en 30 juni 2017, wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt : ” § 2/1. Professioneel gerichte opleidingen die over studiegebieden heen gerangschikt worden en waarvan een van de studiegebieden Audiovisuele en beeldende kunst of Muziek en podiumkunsten is, worden meegenomen voor de onderwijssokkel voor de professioneel gerichte opleidingen SOWprof2014 en voor het variabele onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen VOWprof2014.”.

Art. 39.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juni 20185, wordt een artikel III.42/2 ingevoegd, dat luidt als volgt : “Art. III.42/2. Voor een hogeschool die in het academiejaar 2019-2020 geen hbo5-opleiding overgenomen heeft van een centrum voor volwassenenonderwijs gelden tot en met het begrotingsjaar 2024 de volgende bepalingen als die instelling nieuwe graduaatsopleidingen aanbiedt : 1° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2019-2020 : a) voor het begrotingsjaar 2021 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2019-2020 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2021, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2019-2020 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;b) voor de begrotingsjaren 2022, 2023 en 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), cumulatief vermenigvuldigd met : i) voor het begrotingsjaar 2022 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2019-2020 in de hogeschool in kwestie;ii) voor het begrotingsjaar 2023 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie; iii) voor het begrotingsjaar 2024 : het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie; 2° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2020-2021 : a) voor het begrotingsjaar 2022 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2020-2021 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2022, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2020-2021 van alle hogescholen, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;b) voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2020-2021 in de hogeschool in kwestie;c) voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt b), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie;3° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2021-2022 : a) voor het begrotingsjaar 2023 worden de middelen voor de hogeschool in kwestie berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2021-2022 in de graduaatsopleidingen in die hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2023, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2021-2022 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding;b) voor het begrotingsjaar 2024 worden de middelen, vermeld in punt a), vermenigvuldigd met het percentage van de evolutie tussen het aantal opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 en het aantal opgenomen studiepunten van het academiejaar 2021-2022 in de hogeschool in kwestie;4° als de hogeschool een eerste keer een graduaatsopleiding aanbiedt in het academiejaar 2022-2023, worden voor het begrotingsjaar 2024 de middelen voor die hogeschool berekend door het aantal opgenomen studiepunten in het academiejaar 2022-2023 in de graduaatsopleidingen in de hogeschool te vermenigvuldigen met de som van de middelen van alle hogescholen voor het begrotingsjaar 2024, conform artikel III.42/1, § 2, en te delen door de som van alle opgenomen studiepunten in de graduaatsopleidingen van het academiejaar 2022-2023 in de hogescholen, conform artikel II.42/1, § 2, met uitzondering van de opgenomen studiepunten in de nieuwe opleiding.

De begrotingsjaren 2023 en 2024 worden meegenomen in de monitoring, vermeld in artikel III.42/1, § 2, 4°.

Artikel III.42/1, § 3 en § 4, zijn van overeenkomstige toepassing op de middelen die overeenkomstig dit artikel worden gegenereerd.”.

Art. 40.In artikel III.75, eerste lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede “en IV.19” opgeheven.

Art. 41.In deel 3, titel 3, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 18 mei 2018, wordt het opschrift van hoofdstuk 3 vervangen door wat volgt : “Hoofdstuk 3. Evangelische Theologische Faculteit en Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies”.

Art. 42.In artikel III.114 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :1° in paragraaf 1, 3 en 5 worden de woorden “Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid” telkens vervangen door de woorden “Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies”;2° paragraaf 6 wordt opgeheven;3° in paragraaf 7 worden de woorden “Faculteit Protestantse Godgeleerdheid” vervangen door de woorden “Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies”.

Art. 43.In artikel III.119, § 3, eerste lid, van dezelfde codex wordt punt 6° opgeheven.

Art. 44.Artikel IV.19 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 45.In artikel IV.28, § 1, eerste lid, 1°, van dezelfde codex wordt het getal “5” vervangen door het getal “8”.

Art. 46.Artikel IV.32 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 47.In artikel IV.43 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :1° in het eerste lid wordt de zinsnede “voor een periode van 5 jaar” opgeheven;2° het tweede lid wordt opgeheven.

Art. 48.In artikel IV.83, § 1, tweede lid, van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 8 juli 2016, worden punt 3° en 4° vervangen door wat volgt : “3° de definitieve jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t, opgemaakt volgens het ESR-schema, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering voor 31 maart van het begrotingsjaar t+1; 4° de definitieve jaarrekening die betrekking heeft op het begrotingsjaar t en opgemaakt conform de voorschriften, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, wordt ingediend bij de Vlaamse Regering voor 31 maart van het begrotingsjaar t+1.”.

Art. 49.In deel 4 van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt het opschrift van titel 4 vervangen door wat volgt : “Titel 4. Toezicht Hoger Onderwijs”.

Art. 50.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt het opschrift van hoofdstuk 1 vervangen door wat volgt : “Hoofdstuk 1. Toezicht op de hogescholen en de universiteiten”.

Art. 51.In dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 15 juni 20185, wordt in deel 4, titel 4, hoofdstuk 1, een afdeling 1 ingevoegd, die luidt als volgt : “Afdeling 1. De commissarissen van de Vlaamse Regering”.

Art. 52.Artikel IV.95 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.95. § 1. De Vlaamse Regering benoemt maximaal vijf commissarissen die belast zijn met het toezicht op de hogescholen en de universiteiten zoals vermeld in deze titel. De Vlaamse Regering wijst het toezicht op elke hogeschool en elke universiteit toe aan een commissaris voor hernieuwbare termijnen van 5 jaar, waarbij iedere commissaris belast is met het toezicht op ten minste één hogeschool en ten minste één universiteit.

De commissarissen van de Vlaamse Regering worden benoemd onder de houders van een masterdiploma of een bij of krachtens de wet of het decreet of internationaal verdrag gelijkgesteld diploma, die ten minste 5 jaar nuttige ervaring hebben. De Vlaamse Regering legt de selectieprocedure vast.

Het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering is onverenigbaar met elk ambt of bestuursmandaat in een universiteit, hogeschool, associatie, hoger instituut of andere instellingen voor schone kunsten als vermeld in artikel III.119, of instelling voor postinitieel onderwijs binnen de Vlaamse Gemeenschap. § 2. De commissarissen van de Vlaamse Regering oefenen geen andere beroepsactiviteiten of andere bezoldigde activiteiten uit dan met toestemming van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs. § 3. De commissarissen van de Vlaamse Regering ontvangen de bezoldiging die op een gewoon hoogleraar aan een Vlaamse universiteit van toepassing is.

De rechtspositieregeling van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is op hen van toepassing. Voor de toepassing van het mobiliteitskrediet worden de commissarissen van de Vlaamse Regering gelijkgesteld met een ambtenaar van N-niveau.

De Vlaamse Regering is gemachtigd om voor de commissarissen van de Vlaamse Regering aanvullende rechtspositieregels vast te stellen, waarbij de rechtspositieregeling van een ambtenaar van N-niveau als uitgangspunt geldt.”.

Art. 53.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 16 juni 2017 en 18 mei 2018, wordt in hoofdstuk 1 een afdeling 2 ingevoegd, die luidt als volgt : “Afdeling 2. De toezichtstaken”.

Art. 54.Artikel IV.96 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.96. § 1. De commissarissen van de Vlaamse Regering oefenen hun toezichtstaken uit volgens het singleauditprincipe.

De toezichtstaken van de commissarissen van de Vlaamse Regering omvatten :1° het door de instelling gevoerde risicomanagement evalueren, in overleg met de externe controleactoren en het Rekenhof.De commissarissen volgen de risicoanalyse van de instelling en de werking van de interne auditorganen op en kunnen opmerkingen formuleren;2° themaonderzoeken uitvoeren op voorstel van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, of op eigen initiatief;3° de wettelijkheid van de beslissingen van het bestuur controleren, met inbegrip van de controle op de medezeggenschapsverplichtingen, vermeld in deel 2, titel 7.De commissarissen van de Vlaamse Regering kunnen niet oordelen over de opportuniteit van beleidsbeslissingen van het bestuur;4° toezicht houden op het financiële evenwicht.Dat toezicht heeft betrekking op :a) de controle van de wettelijkheid en regelmatigheid van alle ontvangsten en uitgaven, waarbij enerzijds de conformiteit met het bij of krachtens de wet of het decreet bepaalde, en anderzijds het financiële evenwicht van de instelling wordt onderzocht;b) de begrotingen en de jaarrekeningen.Met behoud van de toepassing van artikel IV.17, IV.25 en IV.83, § 4, tweede en derde lid, brengen de commissarissen daarover advies uit aan de minister, bevoegd voor het onderwijs, de minister, bevoegd voor het wetenschapsbeleid en de minister, bevoegd voor de financiën en de begrotingen;c) het onderzoek van de rekeningen uitgedrukt in het ESR en de naleving van de richtlijnen daarover.§ 2. De Vlaamse Regering kan aan een commissaris binnen de decretaal omlijnde opdrachten bijkomende toezichtstaken toewijzen. § 3. De commissarissen kunnen met raadgevende stem de vergaderingen bijwonen van het bestuur. Ze oefenen hun raadgevende stem uit binnen het kader van hun toezicht.

Behalve in de gevallen van dringende noodzakelijkheid zoals omschreven in het huishoudelijk reglement van de instelling, krijgen de commissarissen van de Vlaamse Regering 5 dagen voor de vergadering de volledige agenda van de vergadering en alle stukken toegestuurd.

Ze ontvangen daarenboven binnen 5 werkdagen een afschrift van al de beslissingen die het bestuur heeft genomen over de punten die hun bevoegdheid betreffen. § 4. De commissarissen kunnen bij de instelling alle documenten en inlichtingen opvragen of die ter plaatse raadplegen.”.

Art. 55.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 16 juni 2017 en 18 mei 2018, wordt in hoofdstuk 1 een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt : “Afdeling 3. Het beroep en het financieringsplan”.

Art. 56.Artikel IV.97 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.97. Tegen elke beslissing van het bestuur die ze strijdig achten met bepalingen die bij of krachtens de wet of het decreet zijn bepaald of die het financiële evenwicht van de hogeschool of de universiteit in gevaar brengt, dienen de commissarissen van de Vlaamse Regering een met redenen omkleed beroep in bij de Vlaamse Regering.

Ze oefenen dat beroep uit binnen 10 werkdagen. Die termijn begint te lopen vanaf de eerste werkdag nadat de commissaris de beslissing heeft ontvangen. Ze brengen het bestuur binnen dezelfde termijn op de hoogte van dat beroep. De mededeling van het beroep schorst de uitvoering van de beslissing in kwestie.”.

Art. 57.Artikel IV.98 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.98. Als de Vlaamse Regering vaststelt dat een beslissing van het bestuur strijdig is met bepalingen die bij of krachtens de wet of het decreet zijn bepaald, of het financiële evenwicht van de instelling in gevaar brengt, deelt ze dat binnen 20 werkdagen na het door de commissarissen ingediende beroep aan het bestuur mee. Die termijn begint te lopen vanaf de eerste werkdag na de dag van de ontvangst van het door de regeringscommissarissen ingediende beroep.

De Vlaamse Regering verzoekt in de mededeling, vermeld in het eerste lid, het bestuur binnen 30 dagen hetzij een nieuwe beslissing te nemen die vrij is van onwettigheid of onregelmatigheid of het financiële evenwicht van de instelling niet in gevaar brengt, hetzij de beslissing in kwestie in te trekken.

De gewraakte beslissing heeft alleen uitwerking als de Vlaamse Regering geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid, vermeld in het eerste lid.”.

Art. 58.Artikel IV.99 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 20143, wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.99. Als bij het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel IV.98, het instellingsbestuur geen nieuwe beslissing neemt en dus de gewraakte beslissing stilzwijgend bevestigt, schorst de Vlaamse Regering binnen 20 werkdagen de toekenning van het geheel of een gedeelte van de uitkeringen van de hogeschool of de universiteit.

De Vlaamse Regering deelt de maatregel, vermeld in het eerste lid, mee aan het bestuur binnen 7 werkdagen.

Als de hogeschool of de universiteit in kwestie tegen de getroffen maatregel beroep instelt bij de rechtbank, wordt de uitvoering van de maatregel van de Vlaamse Regering tot aan de definitieve uitspraak van het gerecht geschorst.”.

Art. 59.Artikel IV.100 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 20143, wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.100. De Vlaamse Regering kan, op voorstel van de commissaris, de opmaak van een financieringsplan opleggen, als die vaststelt dat het financiële evenwicht van een hogeschool of universiteit op korte of lange termijn ernstig in het gedrang komt. In dat financieringsplan geeft de instelling aan op welke manier en binnen welke termijn de financiële herstructurering van de instelling wordt gerealiseerd.”.

Art. 60.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 16 juni 2017 en 18 mei 2018, wordt een nieuw hoofdstuk 2 ingevoegd, dat luidt als volgt : “Hoofdstuk 2. Toezicht op andere instellingen”.

Art. 61.Artikel IV.101 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.101. De Vlaamse Regering benoemt een commissaris bij de Evangelische Theologische Faculteit te Leuven en de Faculteit voor Protestantse Theologie en Religiestudies te Brussel.

De commissaris oefent het toezicht uit overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 1.”.

Art. 62.Artikel IV.102 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.102. De Vlaamse Regering kan een ambtenaar of een commissaris aanwijzen die bij de Vlerick Business School, de Antwerp Management School, het Instituut voor Tropische Geneeskunde, en de hogere instituten en andere instellingen voor schone kunsten als vermeld in artikel III.119, toeziet op de uitvoering van de beheersovereenkomst en de naleving van de subsidiëringsvoorwaarden.

Het instellingsbestuur bezorgt daartoe aan de ambtenaar of de commissaris alle nodige informatie en documenten.”.

Art. 63.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 16 juni 2017 en 18 mei 2018, wordt een nieuw hoofdstuk 3 ingevoegd, dat luidt als volgt : “Hoofdstuk 3. Het college van commissarissen”.

Art. 64.Artikel IV.103 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.103. De commissarissen van de Vlaamse Regering vormen samen een college.

Het college wijst bij consensus een voorzitter aan. De voorzitter zorgt voor de coördinatie van de werkzaamheden van het college en fungeert als aanspreekpunt voor materies die het gehele hoger onderwijs betreffen. Het voorzitterschap is onbezoldigd.

Een afgevaardigde van het beleidsdomein Onderwijs en Vorming en een afgevaardigde van de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, kunnen de vergaderingen van het college bijwonen.”.

Art. 65.Artikel IV.104 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.104. Het college is belast met de volgende taken :1° een coherente interpretatie van de regelgeving bij de uitoefening van de toezichtstaken;2° de coördinatie van het geheel van de werkzaamheden van de commissarissen van de Vlaamse Regering.Er wordt daarvoor een gemeenschappelijk werkkader voor alle commissarissen opgesteld;3° het jaarlijks opstellen van een controleprogramma Hoger Onderwijs binnen het kader van de single audit, met aanduiding van de timing en planning van hun werkzaamheden en van de werkzaamheden van de andere toezichthouders binnen het hoger onderwijs.Ook de planning van de themaonderzoeken en meta-audits, op eigen initiatief of op verzoek van de minister, bevoegd voor het onderwijs, wordt in dat controleprogramma opgenomen, tenzij uitzonderlijke omstandigheden een dringend onderzoek noodzakelijk maken.

Het college stelt jaarlijks voor 1 september een sectoranalyse op die de financiële toestand en andere belangrijke parameters van het gehele hoger onderwijs beschrijft van het vorige kalenderjaar. In dat verslag rapporteert het college onder meer over de financiële toestand van de instellingen en over de evoluties van het personeelsbestand van de instellingen. Het verslag over de evolutie van het personeelsbestand wordt via de Vlaamse Regering voor advies bezorgd aan het Vlaams Onderhandelingscomité voor het hoger onderwijs.

De Vlaamse Regering kan, binnen de decretaal omlijnde opdrachten, het college belasten met bijzondere opdrachten.”.

Art. 66.Artikel IV.105 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.105. Het college kan voor de uitoefening van zijn opdracht een beroep doen op personeelsleden van de diensten van de Vlaamse overheid als vermeld in artikel I.1 en I.2, 1°, van het Vlaams personeelsstatuut van 13 januari 2006. De rechtspositieregeling van het personeel van de diensten van de Vlaamse overheid is op hen van toepassing. Op basis van een behoefteplan opgesteld door het college, stelt de Vlaamse Regering het personeelseffectief vast van de diensten van het college binnen het beleidsdomein Onderwijs en Vorming. Het college bepaalt de concrete taakomschrijving van die personeelsleden en staat in voor hun aansturing en evaluatie.”.

Art. 67.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 16 juni 2017 en 18 mei 2018, wordt het opschrift “Hoofdstuk 2. Toezicht op de hogescholen” opgeheven.

Art. 68.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, het laatst gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt een nieuw hoofdstuk 4 ingevoegd, dat luidt als volgt : “Hoofdstuk 4. Overgangsbepalingen”.

Art. 69.Artikel IV.106 van dezelfde codex wordt vervangen door wat volgt : “Art. IV.106. § 1. De titularis die op 31 juli 2019 benoemd is in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de hogescholen, wordt met ingang van 1 augustus 2019 geacht benoemd te zijn in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering, vermeld in artikel IV.95. § 2. De titularis die op 31 juli 2019 benoemd is in het ambt van commissaris van de Vlaamse Regering bij de Universiteit Gent behoudt het statuut dat van toepassing is op 31 juli 2019. § 3. De benoemde personeelsleden die op 31 juli 2018 tewerkgesteld zijn bij een commissaris van de Vlaamse Regering bij een universiteit of bij de hogescholen of bij het college, worden op 1 augustus 2019 geacht tewerkgesteld te zijn bij het college als personeelsleden die benoemd zijn. Na overleg met het betrokken personeelslid legt het college voor het personeelslid een nieuwe taakomschrijving vast. § 4. De personeelsleden van het onderwijs die op 31 juli 2018 op basis van een verlof voor opdracht zijn tewerkgesteld bij een commissaris, blijven vanaf 1 augustus 2019 tewerkgesteld bij het college als personeelsleden belast met een verlof voor opdracht. Na overleg met het betrokken personeelslid legt het college voor het personeelslid een nieuwe taakomschrijving vast.

De opdracht, vermeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit overeenkomstig de statutaire bepalingen die op hen van toepassing zijn. Tijdens de duur van de opdracht wordt aan het betrokken personeelslid bij zijn instelling van herkomst vrijstelling van dienst verleend. § 5. De contractuele personeelsleden die op 31 juli 2018 met een arbeidsovereenkomst zijn tewerkgesteld bij een commissaris, worden vanaf 1 augustus 2019 als contractuele personeelsleden tewerkgesteld bij het college. § 6. De personeelsleden die voor 1 september 2013 belast waren met een opdracht bij de diensten van het college van commissarissen en vóór die datum genoten van een toelage door de specificiteit van de opdracht, behouden die toelage. § 7. In afwijking van artikel V.51 en V.191, § 2, kunnen de hogescholen en universiteiten uiterlijk tot 31 maart 2019 personeelsleden die voor 31 juli 2018 tewerkgesteld zijn bij een commissaris, zonder openbare vacature rangschikken in een graad van het administratief en technisch personeel met het oog op een effectieve tewerkstelling vanaf 1 augustus 2019.

De in het eerste lid vermelde rangschikking is niet mogelijk zonder instemming van het betrokken personeelslid. Een vastbenoemd personeelslid dat gerangschikt wordt in een graad van het administratief en technisch personeel aan de Universiteit Gent, de Universiteit Hasselt, de Universiteit Antwerpen of een hogeschool wordt in die instelling benoemd als lid van het administratief en technisch personeel.”.

Art. 70.Artikel IV.107 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 71.Artikel IV.108 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 19 juni 2015, wordt opgeheven.

Art. 72.Artikel IV.109 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 16 juni 2017 en 18 mei 2018, wordt opgeheven.

Art. 73.Artikel IV.110 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 20143, wordt opgeheven.

Art. 74.Artikel IV.111, gewijzigd bij het decreet van 21 maart 20143, wordt opgeheven.

Art. 75.Artikel IV.112 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 76.Artikel IV.114 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 77.Artikel IV.115 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 78.Artikel IV.116 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 79.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 16 juni 2017 en 18 mei 2018, wordt het opschrift “Hoofdstuk 3. Toezicht op de associaties” opgeheven.

Art. 80.Artikel IV.118 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 81.Artikel IV.119 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 82.Artikel IV.120 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 83.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 16 juni 2017 en 18 mei 2018, wordt het opschrift “Hoofdstuk 4. Toezicht op sommige instellingen voor postinitieel onderwijs” opgeheven.

Art. 84.Artikel IV.121 van dezelfde codex wordt opgeheven.

Art. 85.In deel 4, titel 4, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 21 maart 2014, 16 juni 2017 en 18 mei 2018, wordt het hoofdstuk 5, dat bestaat uit artikel IV.122, opgeheven.

Art. 86.In artikel V.39, tweede lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 25 april 20144, wordt de zin “De salaristoeslagen worden meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel IV.19 bedoelde 80%- of 85%-norm.” opgeheven.

Art. 87.In artikel V.60, zesde lid, van dezelfde codex wordt de zin “De premies worden meegerekend als personeelsuitgaven voor het bepalen van de in artikel IV.19 bedoelde 80%- of 85% norm.” opgeheven.

Art. 88.In artikel V.64 van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt : “Een universiteit kan vanaf 1 oktober 2019 de personeelsleden die opgenomen zijn op de lijst, vermeld in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, of artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, opnemen in het integratiekader als een hogeschool die personeelsleden op grond van artikel V.206/1, eerste lid, van deze codex overgenomen heeft en de personeelsleden op grond van de overeenkomst, vermeld in artikel V.79/2, § 2, van deze codex aan de universiteit zijn toegewezen.”;2° in het bestaande derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt de datum “1 oktober 2013” vervangen door de woorden “hun opname in het integratiekader”.

Art. 89.Artikel V.79/4 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt vervangen door wat volgt : “Art. V.79/4. Een universiteit kan een lid van het bestuurs- en ondersteunend personeel als vermeld in artikel V.79/1, § 1, 2°, dat aan het centrum voor volwassenenonderwijs ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, tewerkstellen. Die tewerkstelling verloopt in wederzijdse toestemming tussen het ter beschikking gestelde personeelslid en de universiteit.

De tewerkstelling, vermeld in het eerste lid, wordt voor het vastbenoemde personeelslid in kwestie beschouwd als een wedertewerkstelling conform het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage.”.

Art. 90.In artikel V.206/2 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt : ” § 2. De vastbenoemde personeelsleden behouden na de overname door de hogeschool hun vaste benoeming.

De tijdelijke personeelsleden die op 31 augustus 2019 een dienstanciënniteit, berekend volgens de geldende rechtspositieregels voor het centrum voor volwassenenonderwijs, van ten minste 10 jaar in het ambt van lector hebben, worden door de hogeschool of, in geval van opname in het integratiekader door de universiteit, na een gunstige evaluatie benoemd. Die evaluatie gebeurt binnen 3 jaar na de overgang van het personeelslid.

De tijdelijke personeelsleden die op 31 augustus 2019 niet voldoen aan de voorwaarde voor een vaste benoeming in het ambt van lector, krijgen bij de overname een aanstelling van onbepaalde duur. Die personeelsleden kunnen op hun verzoek benoemd worden als het hogeschoolbestuur daarmee instemt.

Artikel IV.28 is niet van toepassing.”.

Art. 91.Artikel V.206/3 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt vervangen door wat volgt : “Art. V.206/3. Een hogeschool kan de lectoren die opgenomen zijn op de lijst, vermeld in artikel 103ter decies, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, of artikel 84vicies ter, § 1, eerste lid, 2°, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, die de hogeschool op grond van artikel V.206/1, eerste lid, van deze codex overgenomen heeft, op grond van de overeenkomst, vermeld in artikel V.79/2, § 2, van deze codex, vanaf 1 oktober 2019 overdragen naar het integratiekader van een universiteit.”.

Art. 92.In artikel V.206/4 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, worden tussen de datum “1 september 2019” en het woord “personeelsleden” de woorden “de volgende” ingevoegd.

Art. 93.Artikel V.206/7 van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt vervangen door wat volgt : “Art. V.206/7. Een hogeschool kan een lid van het bestuurs- en ondersteunend personeel als vermeld in artikel V.79/1, § 1, 2°, dat aan het centrum voor volwassenenonderwijs ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking, tewerkstellen. Die tewerkstelling verloopt in wederzijdse toestemming tussen het ter beschikking gestelde personeelslid en de hogeschool.

De tewerkstelling, vermeld in het eerste lid, wordt voor het vastbenoemde personeelslid in kwestie beschouwd als een wedertewerkstelling conform het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 1992 betreffende de verdeling van betrekkingen, de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie, de wedertewerkstelling en de toekenning van een wachtgeld of wachtgeldtoelage.”.

Art. 94.In artikel V.208, eerste lid, van dezelfde codex wordt de zin “Ze maken deel uit van het integratiekader van de desbetreffende hogeschool.” opgeheven.

Art. 95.In artikel V.210 van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :1° in het eerste lid, 3°, wordt punt b) opgeheven;2° het derde lid wordt opgeheven.

Art. 96.In artikel V.220, § 2, van dezelfde codex, gewijzigd bij het decreet van 4 mei 2018, wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 97.In artikel V.244, § 1, derde lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 19 juni 2015, wordt punt 6° opgeheven.

Art. 98.In artikel 9 van het decreet van 4 mei 2018 betreffende de uitbouw van de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen en de versterking van de lerarenopleidingen binnen de hogescholen en universiteiten wordt de datum “1 september 2009” vervangen door de datum “1 september 2019”.HOOFDSTUK7. – Wijziging aan het decreet van 4 mei 2018 betreffende de uitbouw van de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen en de versterking van de lerarenopleidingen binnen de hogescholen en universiteiten

Art. 99.Artikel 30, 2°, van het decreet van 4 mei 2018 betreffende de uitbouw van de graduaatsopleidingen binnen de hogescholen en de versterking van de lerarenopleidingen binnen de hogescholen en universiteiten wordt opgeheven.

Art. 100.Artikel 33 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 101.Artikel 35 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 102.Artikel 136 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 103.Artikel 154 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.HOOFDSTUK8. – Inwerkingtreding

Art. 104.Dit decreet treedt in werking op 1 september 2019, met uitzondering van :1° artikel 10, dat uitwerking heeft met ingang van 1 februari 2017;2° artikel 17 en 26, 1°, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2018;3° artikel 16, 18, 30, 41 en 42, 1° en 3°, die uitwerking hebben met ingang van het academiejaar 2018-2019;4° artikel 26, 2°, 27, 36, 45, 47, 52 en 69 die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 2019;5° artikel 40, 44, 46, 87, 88 en 99 die in werking treden op 1 januari 2020.Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 1 maart 2019.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Onderwijs, H. CREVITS _______ Nota(1) Zitting 2018-2019.Documenten. – Ontwerp van decreet, 1770 – Nr. 1. – Amendementen, 1770 – Nrs. 2 en 3. – Verslag, 1770 – Nr. 4. – Amendement na indiening van het verslag, 1770 – Nr. 5. – Tekst aangenomen door de plenaire vergadering, 1770 – Nr. 6.

Handelingen. – Bespreking en aanneming. Vergadering van 20 februari 2019.