28/05/2015 - "Een soepje genaamd ziekenvervoer"

De Artsenkrant beschrijft in haar artikel “Een soepje genaamd ziekenvervoer” van 22 mei 2015 een enquête waaruit blijkt dat de grootste bezorgdheid in het kader van de hervorming van de ziekenhuisfinanciering het ziekenvervoer is. Deze enquête werd uitgevoerd door het Vlaams Patiëntenplatform (VPP), onder haar ledenverenigingen.

De bezorgdheid wordt onder andere gedeeld door het Belgian College of Emergency Physicians (Becep). Voorzitter dokter Jan Stroobants stelt dat de huidige situatie bijzonder inefficiënt is, aangezien het dringend ziekenvervoer in het kader van de dienst 112 een federale bevoegdheid is, en het niet-dringend liggend ziekenvervoer een Vlaamse materie betreft. Hij is dan ook voorstander van het samenbrengen van beide onderdelen op hetzelfde beleidsniveau.

De Belgische Beroepsvereniging van Ambulancediensten (BBA) steunt deze bevinding, doch vraagt dat er gestreefd wordt naar een interministeriële conferentie, aangezien een nieuwe staatshervorming op korte termijn zeer onwaarschijnlijk lijkt.

Kwalitatief ziekenvervoer wordt als een belangrijke randvoorwaarde gezien voor een goede uitvoering van de hervormingsplannen. Er wordt namelijk verwacht dat het ziekenvervoer zal stijgen in absolute aantallen, gelet op de plannen om referentieziekenhuizen te creëren, en de toenemende vergrijzing.

Momenteel bestaat er voor het Vlaamse niet-dringend liggend ziekenvervoer nog altijd geen regelgeving. Dit impliceert dat er ziekenwagendiensten actief zijn zonder opgeleid personeel en/of zonder het geschikte medisch materiaal aan boord. Er bestaat geen overheidsinstantie die deze bedrijven erkent en/of controleert. De sector is zelf voorstander om van het actuele systeem van zelfregulatie af te stappen.

De door dokter Stroobants vermelde ‘charlatans’ kunnen werken aan dumpingprijzen, aangezien zij toch niet genoodzaakt zijn te voorzien in kwalitatieve dienstverlening. Het in 2009 opgestelde kwaliteitscharter blijft in de praktijk voor velen een dode letter.

De gewenste kwaliteitsresultaten binnen de sector werden niet gehaald waardoor een systeem van afdwingbare kwaliteitseisen noodzakelijk is. Ziekenwagendiensten die streven naar kwalitatief ziekenvervoer worden immers concurrentieel benadeeld. Dit kan nooit de bedoeling zijn.

Een belangrijke actor in dit verhaal zijn de mutualiteiten. Zij hebben immers de kracht om de ‘race to the bottom’ te stoppen door meer naar kwaliteit en minder naar de goedkoopste prijs te kijken. Enkel hierdoor komt er terug ruimte voor investeringen in kwaliteit.

Het is inderdaad vreemd dat de ziekenwagendiensten die instaan voor dringend vervoer, die erkend moeten zijn door de FOD Volksgezondheid en wél moeten voldoen aan opleidings- en uitrustingseisen slechts een factuur mogen sturen van (tot en met 10 kilometer) 61,64 euro, terwijl de facturen bij de diensten voor het niet-dringend liggend ziekenvervoer soms hoger kunnen zijn.

Een en ander moet echter genuanceerd worden. Ook de ziekenwagendiensten voor het dringend vervoer hebben het water aan de lippen staan, en de vermelde bedragen van 300 tot 600 euro worden slechts in specifieke omstandigheden aangerekend. Vaak gaat het slechts om een tiende van dit bedrag, waardoor bespaard moet worden op personeel, medisch materiaal, en voertuigen.

Hoewel de vrije keuze van de opdrachtgever of patiënt bij het niet-dringend liggend ziekenvervoer gerespecteerd moet worden, behoort het belang van de patiënt de absolute prioriteit te zijn. Niet alleen verdient de zieke patiënt kwalitatief ziekenvervoer, ook mag er geen verschil bestaan tussen een patiënt in bijvoorbeeld West-Vlaanderen of Limburg.

Een verschil in terugbetalingsmodaliteiten tussen de verschillende regio’s van de mutualiteiten leidt er namelijk toe dat de patiënt in de ene regio door één niet-opgeleide ambulancier vervoerd kan worden, terwijl hij in de andere regio door twee degelijk opgeleide ambulanciers in een goed uitgeruste ziekenwagen verzorgd wordt. De mogelijkheid bestaat zowel dat hier in beide regio’s ondanks het verschil in kwaliteit en inzet van personeel, hetzelfde lage bedrag tegenover staat of dat er juist een bijzonder groot verschil bestaat tussen beide facturen. Hierbij kan ook nog opgemerkt worden dat er in Wallonië wél een decreet bestaat dat voorziet in verplichte erkenning, opleiding en uitrusting.

Kortom: er is een probleem, we weten dat eraan gewerkt wordt, maar momenteel is de patiënt de dupe van het Belgische systeem waarbij er gewerkt wordt op verschillende beleidsniveaus, en waarbij er blijkbaar geen haast is om concrete maatregelen te nemen. De BBA pleit niet alleen voor een optimalisatie van de organisatie en financiering op beide niveaus, maar ook voor een verregaande synergie, waarvan de patiënt optimaal kan genieten.

Foto (c) Boelens Fotomedia